Kugel met peren

30 Okt

De verhalen van mijn vader (1916) gingen over ‘voor de oorlog’, ‘de oorlog’ en ‘na de oorlog’. Zijn leven werd door deze tijdsmarkering in drie stukken gehakt. Hoewel ‘na de oorlog’ met het verstrijken van de jaren steeds langer werd, ging het niet meer ruimte innemen. De verhalen over de twintiger, dertiger jaren, over een leven als jongetje in de Amsterdamse Vrolikstraat, met talloze joodse buren en vriendjes, bleven prominent aanwezig en verloren niet aan kracht.  Misschien ook door de herhaling. Ik hoorde eindeloos over Brammetje, het knapste jongetje van de klas, dat tandarts wilde worden, over dikke buurvrouw Brilleman, die tijdens een amateur toneelvoorstelling een toeval van het lachen kreeg en met vlugzout bijgebracht moest worden, over Isaac die zich schaamde omdat zijn overbezorgde moeder hem in de zesde klas nog naar school bracht, over de drie vrienden die naast mijn vader op de fiets op de foto staan en die geen van allen na de oorlog zijn teruggekeerd.  En elke keer weer ook het verhaal over Kugel-met-peren, het aller-aller-lekkerste eten, dat mijn vaders moeder naar recept van haar joodse buurvrouw maakte.
Kugel-met-peren, hoe vaak heb ik wel niet naar de lofzang op dit gerecht geluisterd? Enigszins verveeld, ik geef het toe, want wist ik veel hoe zoiets smaakte?  Langzamerhand boeiden de terugkerende verhalen mij niet meer en toen ik de puberteit bereikte, bracht ik het niet meer op, geïnteresseerd te knikken bij de beschrijving van een gerecht, dat ik nimmer geproefd of geroken had.

Eenmaal uit huis, met de liefde en interesse die juist door volwassen afstand weer in alle intensiteit voor ouders op kan bloeien, besefte ik dat mijn vaders heimwee naar dit verloren gerecht symbool stond voor een veel groter verlies uit de Amsterdamse Vrolikstraat.  Het verlangen naar Kugel-met-peren was het verlangen naar de verdwenen Brammetje, mevrouw Brilleman, Isaac, de drie vrienden op de foto. De smaak van verlies.

Vanaf dat moment ging ik op zoek naar het recept, vastbesloten om ooit voor mijn vader Kugel-met-peren te bereiden. Ik informeerde jarenlang bij oude mensen, zocht in bibliotheken en kocht kookboeken over de jiddische keuken. Tevergeefs. Ik vroeg mijn vader, het gerecht exact te beschrijven, maar toen ik zijn aanwijzingen opvolgde, ontstond er een grauwe, zoete drab. Uiteindelijk gaf ik het op.
Tot internet in mijn leven kwam. Toen ik eenmaal het fenomeen googelen ontdekte was mijn eerste zoekopdracht ‘Kugel-met-peren’. En ja hoor, ene Daniel Meijers had het recept van zijn oma Mimi op internet geplaatst.
Nauwgezet maakte ik de kugel, ik liet het urenlang op een laag pitje pruttelen en liep met een warm schaaltje naar mijn vader, die, inmiddels hoogbejaard, bij mij om de hoek in de Jordaan was komen wonen. Hij nam een hap… proefde… en bij mijn oude vader, die ik nimmer had zien huilen, sprongen de tranen in de ogen. De verrassing brak zijn gezicht stralend open.  “Dit is het! Kugel-met-peren!”  Hij smulde en schrokte het bakje in een mum van tijd leeg.

Vanaf  die dag werd het mijn streven om elke herfst Kugel-met-peren te maken. Ieder jaar weer zat mijn familie te smullen van dit machtige, heerlijke gerecht en buikten we daarna uit, al luisterend naar de verhalen van opa:  “Heb ik al eens verteld over buurvrouw Brilleman, die zo hard moest lachen…?”  Vertel, hoe zat het ook alweer, pa? .

Drie jaar geleden is mijn vader op 94 jarige leeftijd overleden.  En ook deze herfst maak ik weer Kugel-met-peren. Het recept geef ik door aan mijn kinderen. Om de dingen die nooit vergeten mogen worden.

Recept:
Kugel met peren.
Voor 3 personen (eerder 6!) 

Ingrediënten:

  • Vier pond stoofperen (Gizer Wildeman zijn de beste)
  • Pond meel
  • Heel pak roomboter (250 gram)
  • Zakje vanille suiker
  • Ons rozijnen
  • Ons gepelde amandelen – fijn gesnipperd
  • Een ons gember (ook fijn snijden svp)
  • 2 ons witte suiker
  • geraspte citroenschil van een halve citroen
  • half glas warm water
  • kaneel 

Bereiding:

  • Schil de peren
  • Zet de peren op in een grote pan met een bodem water
  • Voeg een flinke scheut kaneel en de citroenschilrasp ana het water toe
  • Laat zachtjes koken
  • Maak van alle deegingrediënten een deegbal. Als je wilt kan daar ook wat kaneel bij en eventueel wat citroenrasp.
  • Dat pakt niet echt goed en dat komt omdat bij de deegbal nog een klein scheutje perenkookvocht moet. Voila.
  • Schep een ruimte midden in de pan met peren en leg daarin de platgedrukte deegbal.
  • Schep er weer wat peertjes overheen en laat de boel weer doorpruttelen. Kan echt op een heel erg laag pitje!
  • Nu begint het grote wachten. Na 5 uur zal de deegbal klaar zijn. Hoe herken je een gare deegbal? Ervaring! Verder worden de peertjes na verloop van tijd rood. Dat is normaal.
  • Let op: dit maal is heel erg machtig. En erg lekker.

 

 

 

.

Advertenties

“Do you think I like to tell you this?”

13 Okt

‘Ik zit nu op de boot in mijn eentje enorme pullen bier te drinken (het lukt me niet om kleintjes te bestellen, ze begrijpen me niet) en naar twee moedeloze gitaristen te luisteren, die ooit een droom hebben gehad en nu heen en weer van Hull naar Rotterdam evergreens spelen waar iedereen doorheen praat. Nog even en ik word enorm droef. Xxx’, sms ik aan boord naar mijn lief.

Anna is vorig jaar in York gaan studeren.  Hoewel York dichtbij is en ze haar lange vakanties bij mij in Amsterdam zou gaan doorbrengen, moest ik vorig jaar toch huilen bij het aanvinken van ‘twee boottickets heen, één bootticket terug’. Ineens werd het concreet dat ik mijn kleine meisje met een wagen volgeladen weg zou brengen en met een lege auto naar een leeg huis terug zou keren.
(Later zou ik dezelfde tranen plengen bij een zondagochtendeitje. Jarenlang vier eieren op zondag in het steelpannetje, de vier eieren van een ‘normaal’ gezin met twee ouders en twee kinderen. Jet ging dood en er waren nog maar drie eieren. Daan kocht een huis, dus alleen nog een eitje voor Anna en mij. Intense treurigheid op de eerste zondagochtend dat ik één eitje in het pannetje deed. Het was een beetje een zielig, alleenig eitje, zo’n eitje dat het niks kon schelen of het te zacht, te hard of perfect drieëneenhalve minuut gekookt zou worden, zo’n eitje dat eigenlijk gewoon niet wil smaken). 

De treurigheid op de één-bootticket-terugreis ging ik vorig jaar met zwaar geschut te lijf met behulp van onze vaderlandse volkszanger Frans Duits, die tijdens de vaart Nederlandse liedjes ten gehore bracht.  Ik gooide me er helemaal in en zong met zijn fans, handjes in de lucht, mee met liedjes die ik dankzij een voorspelbaar rijm makkelijk kon volgen. Ik speelde een rol in mijn eigen film door vrolijk in de rij te gaan staan voor een handtekening en met Frans Duits op de foto te gaan.

Zo, dat was afdoende tegen de leeg-nest-dip. 

Dit jaar viel het afscheid van Anna in York me niet tegen. Ik liet haar achter met een gezellige kamer in een rustige buurt en een nieuwe fiets met extra veilig achterlicht.  Ze had zin in haar studie en in het studentenleven. Haar Engelse accent en het gemak waarmee ze haar zaken regelde stelden me gerust: die is hier thuis. Bovendien had ze bij het weerzien van York verzucht: “Dit voelt als verliefdheid.”
De dagen dat ik in haar nieuwe huis te gast was, richtte ik samen met haar haar kamer in, kocht wat laatste spulletjes en was af en toe zó onuitstaanbaar (“Dat is toch geen muziek te noemen, die jengelende gitaren”, of: “”Waarom hang je alleen die lelijke foto van mij met natte haren, bril en in zwempak op?”) dat het haar niet al te veel moeite kostte om ietsepietsie opgelucht te zijn bij mijn vertrek.
Kortom, we namen innig afscheid en ik kon met een gerust gevoel vertrekken: Anna werkte aan haar dromen en had haar moeder steeds minder nodig. Zo moet het zijn (au) .
Opgewekt, zónder jengelende gitaarmuziek, reed ik van York naar de haven van Hull. Dit keer had ik van tevoren twee retourtjes gekocht. Niet om een dip te voorkomen, maar omdat dit goedkoper bleek te zijn dan twee heen, één terug. Ik kwam ruim op tijd bij de ferry aan.

Stel je de situatie bij de boot voor: Er zijn verschillende rijbanen en tussen elke twee banen staat een huisje met een  loket en daarin een beambte aan wie je je paspoort en je ticket moet laten zien.  Voor ons Hollanders, met het stuur links, is het logisch om op een linkerbaan naar een loket te rijden. Toen ik die kant op manoeuvreerde werd ik echter op het laatste moment de andere baan op gedirigeerd, waardoor ik plotseling het stuur om moest gooien, weliswaar wél op de rechterbaan belandde, maar met te veel ruimte tussen mijn auto en het huisje.  Ik ontsloot mijn riem, kroop over de bijrijderstoel, draaide mijn handmatig bediende raampje rechts open en half uit het raam hangend overhandigde ik mijn papieren. Waarom ik mijn auto niet wat dichter bij het loket had geparkeerd, werd in het Engels geïnformeerd. “Because in Holland, we have our window on the left side”, antwoordde ik met een ijzeren logica en een onverwoestbaar goed humeur in steenkolenengels.
Mijn onverwoestbaar goede humeur bleek niet helemaal shockproof. De Engelse meneer achter het loket vertelde namelijk dat ik moest bijbetalen voor de passagier die er niét was. Ik dacht eerst dat hij een grapje maakte, die Engelse humor toch, en lachte wat. Maar het was geen grap, het was echt.  Voor Anna die niet naast me zat, moest betaald worden.  “But she is not there”. Precies, dat was het probleem. “So nobody is more expensive than somebody?!”.  De man knikte.
Ik voelde mijn beruchte jaarlijkse driftbui opkomen. “This is ridiculous!” Adrenaline, testosteron (hebben vrouwen dat ook?), kloppende slapen, rood hoofd. Ik besloot hier een zéér principiële zaak van te maken en zette mijn motor demonstratief uit. Wat mij betreft zou ik tot in lengte van dagen in de haven van Hull blijven bivakkeren tot mijn gelijk door de Hoge raad, het Europese Hof of nog hoger bevestigd zou worden. Ik sloeg mijn armen over elkaar en staarde onverzettelijk voor me uit. Hier maakt ik EEN PUNT van. Er viel een stilte.
“Do you think I like to do this? Do you think I like to tell you this?” klonk het na een tijdje intens treurig uit het huisje. Even was ik beduusd, hoorde ik een gebroken stem? Ik kroop weer over de bijrijderstoel, wurmde me weer half door het raampje en keek in de levensmoede ogen van een zwaar teneergeslagen beambte.  Mijn boosheid verdween als vuur in een wolkbreuk en maakte plaats voor een onweerstaanbare drang tot troosten.
“It must be terrible for you.”
De man knikte sip.
“I feel sorry for you.”
De man liet zijn hoofd hangen en zuchtte diep. Ik schonk hem mijn meest meelevende glimlach en betaalde met een briefje, waarop de man verzuchtte dat hij ook nog eens ergens wisselgeld vandaan moest zien te halen. De arme stakker.
“This is a bad, bad day for you, isn’t it?”
“Yes, it is.”
Toen ik eindelijk door kon rijden, de boot op, bedacht ik dat die man in dat rotloket aan de verkeerde kant van de baan vast ooit brandweerman had willen worden, of piloot, stuntman. Op z’n minst miljonair. Dat hij ooit grootse dromen moet hebben gehad, Grootsch en Meeslepend.  Ik met mijn gezanik, dat kon ie er nog wel bijhebben. Wat een rotleven.  Al piekerend over gemiste kansen en verloren dromen zocht ik mijn hut, en vervolgens de bar op.

En nu zit ik dus te somberen en te schrijven.
De twee moedeloze gitaristen worden steeds onderbroken door de intercom. Middenin een evergreen gaat hun geluid abrupt uit en horen we in het Engels, Nederlands en Duits waar de zwemvesten liggen.  Als hun versterking weer aangaat, maken ze het liedje niet af, maar beginnen ze iets nieuws.
Opeens sluit het gordijn zich voor hun neus (letterlijk!). Geen applaus. Ik zie ze niet meer terug.

Op het moment dat ik met al mijn Weltschmerz en onderdrukt moederverdriet zum tode betruft begin te raken gaat het gordijn weer open en begint een band te spelen.  De zaal is nog niet voor een kwart gevuld en de meeste mensen slaan geen acht op de muzikanten.  Dan klimt de zangeres op het podium, een meisje met pornoblond haar en een te strak pakje. Ze zingt matig en beweegt slecht, maar trekt zich met een aanstekelijk enthousiasme nergens iets van aan.  Ze leeft haar droom,  ze voelt zich Madonna en fantaseert dat ze als een ster de zaal bespeelt. Ondanks haar beperkte talent, ondanks het podium op de halflege boot van Hull naar Rotterdam, maakt ze er een feest van. Ze klapt, moedigt het publiek aan mee te zingen en het laat haar Syberisch koud als niemand dat doet. De jongens van de band krijgen er schik in, ze lachen naar elkaar en zetten een tandje bij.  Ik ga rechtop zitten. Yes, this is the spirit. Die griet heeft levenskracht.
Het meisje amuseert en ontroert me. Ik denk aan alle mensen die op hun manier iets van het leven proberen te maken. Aan studenten aan het begin van hun leven, aan dromers en doeners, aan moeders die met één ei hun lege nest versieren. 

Als het liedje afgelopen is ben ik de enige die klapt. Het volgende liedje zing ik mee.  Het daarop volgende liedje ook. Af en toe zet ik mijn gedachten op papier. Naar mijn lief sms ik:
Toch niet droef. Ik heb papier gekocht, er treedt nu een band op, ik zing mee en ik schrijf […] Zo is het goed.’

 

Over moed.

2 Okt

Op de bodem van de Golf van Siam zit mijn meisje in lotushouding. Luchtbellen stijgen op uit haar mond. Adem uit, adem in, adem uit, adem in. Bubbelbubbel, in beheerst tempo. Van achter haar duikbril kijkt ze me aan. Ik besef dat ik een verschrikkelijke vergissing aan het maken ben. 

 Duiken, dat leek me echt iets voor mij. Eindelijk een sport waarbij je alleen maar hoeft te blijven ademhalen en waarbij je, als je niets doet, beloond wordt met een schitterend onderwaterpanorama,  gepresenteerd door gastvrije vissen.  Mezelf rustig laten zakken, daar ben ik vast goed in.
Toen ik dan ook ontdekte dat op het eilandje Koh Tao, onze vakantiebestemming in Thailand,  duikles werd gegeven, was ik meteen enthousiast. Ik zou mijn duikbrevet gaan halen! Anna voelde er niets voor. “Ik ga wel in het bootje zitten lezen als jij duikt”, zei ze. Ik vervloekte National Geographic, dat met rampenverhalen over haaien, meterslange kwal-tentakels en giftige pijlvissen haar onbezorgdheid had getorpedeerd.  “Die zijn daar niet”, zuchtte ik geërgerd, “Kom op, zoek het avontuur, ben jij nou een meid van stavast?” “Nee.” 

Op Koh Tao belandden we op een schitterend strandje met een koraalrif.  Idyllischer kon niet. Fijn, wit zand en schuine, fotogenieke palmbomen. Glashelder water met tropische vissen die op onze komst zwommen te wachten. En natuurlijk, daar kwam ik voor, een duikschool.
De eigenaar, een stoere Brit, noemde de prijs van Duikles-voor-beginners (the cheapest of the world) en vertelde verheugd dat wij duikles in het Nederlands konden krijgen. Alles zat mee.
Toen we terugliepen aarzelde Anna: “Ik heb het gevoel dat ik een kans laat liggen als ik het niet doe”.
Yes!  “Dat is ook zo angst is een slechte raadgever je vindt het vast geweldig en als je het niet meer ziet zitten kun je altijd nog afhaken niet geschoten is altijd mis geef het een kans.”
Anna zuchtte en gaf zich gewonnen. Later vertelde ze dat ze overstag ging omdat ze weinig fidussie had in mijn praktische vaardigheden en dat ze in de buurt wilde zijn om mij te kunnen redden. 

De duikleraar was een Belg. Een behoorlijk onverstaanbare Vlaming, die ook nog eens in een poging om geruststellend te klinken alles binnensmonds bagatelliseerde.  We hadden getekend dat de duikschool niet aansprakelijk zou zijn als er iets met ons zou gebeuren. Als we precies, maar dan ook precies deden wat ons verteld werd, als we goed luisterden en de orders van de duikinstructeur nauwgezet opvolgden, kon er niets misgaan, zo werd ons verzekerd.  Dus alle mogelijke rampen die tijdens de theorieles de revue passeerden (zuurstofvergiftiging, decompressieziekte, longoverdrukletsel, gescheurde trommelvliezen, stikstofnarcose, luchtbel via de bloedbaan in de hersenen, coma, pijnlijk sterfproces, dood) zouden NIET gebeuren als we maar goed luisterden. Maar eh… ik versta het Vlaams niet zo goed. En ik versta al helemaal bagatelliserend Vlaams niet zo goed.
“Allee, er is een levensgevaarlijk slang in zee, als je daardoor gebeten wordt sterf je een zeer pijnlijke dood, maar daar is er hier maar één van hè”. 
“Haaien, nee die komen hier meestal niet voor, er is in deze baai één babyhaai” (maar waar is de móeder!?!).
“Ach, er zijn hier zwarte visjes, die iedereen altijd agressief aanvallen, maar dan steek je gewoon je zwemvlies uit en dan bijten ze daar in.”
“Alleen de hele lelijke vissen en de hele mooie vissen kunnen gevaarlijk zijn” (maar mij is altijd verteld dat mooi en lelijk relatief is) .
Ik deed mijn uiterste best om hetgeen verteld werd nauwkeurig in me op te nemen. Er waren ezelsbruggetjes om de volgorde van bijvoorbeeld het controleren van de duikuitrusting te kunnen onthouden: Bangkok Girls Are… wat waren Bangkok girls ook alweer? En waar stond de letter B ook alweer voor? Vest? Lood? Zuurstof? Maar dat begint allemaal niet met een B.
Ik voelde hoe mijn hersencellen er één voor één de brui aan gaven. Alle luiken klapten dicht en ik nam niets meer in me op. Het enige dat ik nog wist was, dat als ik goed luisterde en de orders nauwgezet opvolgden… In de binnenkant van mijn hersenpan heerste complete duisternis. Zo voelt het dus om de slechtste van de klas te zijn.
Anna luisterde aandachtig en raakte haar angst voor haaien kwijt omdat het allemaal nog veel erger kon misgaan. 

Direct na de theorieles volgde de eerste praktijkles, in het zwembad.
Voor we met onze duikuitrusting inclusief lood het water in plonsden moesten we onze vesten opblazen.  Ha, die knop vond ik.  Tsssss, mijn vest liep vol. We belandden allemaal in neutrale drijfstand in het water en formeerden ons rechtop drijvend, keurig in balans, rond de instructeur. Tenminste, dat was de bedoeling. Ik had blijkbaar mijn vest te hard opgeblazen en kon met geen mogelijkheid rechtop blijven. Ik stak een eind boven het water uit en de zware zuurstoftank trok me naar achteren. Verwoede pogingen om in evenwicht te komen mochten niet baten. Als een Michelin mannetje duikelde ik dwars door de aandachtig luisterende groep. Met zwemvliezen had ik ook geen ervaring dus die boden mij geen enkele hulp. Integendeel, in mijn pogingen om in een stabiele stand te geraken maaide ik met zwemvliesvoeten en armen al spetterspattend om mij heen. Ik geef toe, ik was een storende factor. Omdat niemand een krimp gaf en de humorloze instructeur mij ook geen hulp bood, werden mijn verende en rondtollende bewegingen steeds wanhopiger. Uiteindelijk belandde ik bovenop de instructeur. ‘Heb ik er zo een in mijn groep’, hoorde ik hem in stilte verzuchten.

Alle oefeningen deden we één keer en dan moest het goed zijn. Ik kon mijn zuurstofslang niet bovenlangs vinden, maar dat moest ik maar zo laten, zei de Vlaming. De oefening waarbij ik het water uit mijn masker moest halen lukte ook niet zo best, maar dat was geen punt. Bij de opdracht ‘zuurstof aan je buddie vragen als je dreigt te stikken’ was ik het gebaar vergeten. Maakte niet uit. De enige aanwijzing die ik bij elke mislukte oefening kreeg was: “Blijven ademhalen, Herty” (zo noemde hij mij). Herty was zo goed als opgegeven, type hopeloos geval, aan Herty zou niet veel verloren gaan.

 Anna vertelde me na afloop van de eerste dag, dat ze het niet leuk had gevonden. Voor haar hoefde het allemaal niet meer. Een rotgevoel aan je oren en een groeiende angst voor wat er allemaal mis kan gaan.  Waarom déden we dit?
Ik pepte haar op: Laten we niet opgeven.  Morgen is er weer een dag en we gaan er weer met frisse moed tegenaan. Morgen zouden we immers op volle zee gaan duiken en echte vissen zien. Niet die te lelijke of te mooie, ook niet die zwarte agressieve, maar gewoon leuke, kleurige, vriendelijke vissen.
“Ja ja”, twijfelde Anna.

 De volgende ochtend was Anna stil en uit haar hum.  Ik probeerde de moed erin te houden en vertelde dat de zee voor duikers veel minder moeilijk is dan een zwembad. Dat had ik namelijk opgevangen. Bovendien waren Anna en ik buddies en buddies laten elkaar nooit in de steek.  

Toen we vlak voor het grote zee avontuur elkaars duikuitrusting controleerden, liep de Instructeur het niet na.  Bangkok Girls Are… Are… Anna en ik controleerden de slangen en hielpen elkaar zo goed en zo kwaad als het ging.
Met lood in onze schoenen en om ons middel sjokten we naar de kustlijn.  Ik liep voorop en hoorde Anna aan de instructeur vragen: ‘Heb ik haar zuurstoffles nou open – of dichtgedraaid?” Waarop ik wederom een onheilspellend mompelende geruststellening hoorde: ”Links is open, rechts is dicht”.  “Ja maar ik heb hem naar bóven gedraaid”. Stilte. Geen controle.  Gewoon doorlopen naar zee.
We snorkelden met onze zware duikuitrusting van de kustlijn af. Onderweg zagen we de babyhaai. En nou maar bidden voor een ontaarde (ontzeede) haaienmoeder.
Bij een boei moesten we aan een touw afdalen.  Ik zag de andere cursisten een voor een onder water de diepte in verdwijnen. Nu wij. Anna ging eerst, toen ik. We zakten een meter, nog een meter, nog een meter, en verder…. 

En nou zit Anna ongelukkig op de bodem van de zee. Ze doet in lotushouding haar best om niet in paniek te raken. “Niet in paniek raken, dat is levensgevaarlijk!” was ons immers nadrukkelijk op het hart gedrukt. Ik zie haar zitten, mijn dappere dochter en ik denk: ‘Ik lijk wel hartstikke gek. Ze zit daar om mij, door mij, voor mij’.  Met duim, wijs – en middelvinger vorm ik een rondje en gebaar ik of het oké met haar is. Het antwoord is:  zozo.  Mijn hart breekt. Alles lijkt groter onder water, zo ook mijn schuldgevoel. Ineens heb ik verschrikkelijk te doen met Anna met haar avontuurlijke,  walgelijk optimistische moeder.  Met Anna die liever in een bootje een boekje zit te lezen.  Anna die door de plannen van haar moeder op de bodem van de Golf van Siam is beland. ‘Het is nog niet te laat’, bedenk ik. ‘We gaan nu naar boven en kappen ermee’.  Ik gebaar naar de instructeur dat we naar boven willen. Maar dat gaat zomaar niet. Hij grijpt me driftig bij mijn pols en trekt me mee. ‘Kijk om je heen, kijk naar de vissen’, gebaart hij ongeduldig met twee vingers wijzend naar zijn brillenglazen en vervolgens naar de omgeving. Kijk!. Maar ik kijk niet naar de vissen, ik kijk achterom en zie Anna nog steeds in lotushouding. Als ik me probeer los te rukken, trekt hij me mee. En ik mocht mijn buddie niet in de steek laten, laat staan mijn dochter! Ik raak steeds verder van haar af. Ik doe een poging om naar Anna te zwemmen, maar de instructeur trekt me weer terug.  Nu is wat mij betreft de maat vol. Ik geef hem een onderwaterpor en probeer blubblublub met het beetje gezag dat ik in me heb duidelijk te maken dat er met mij niet te spotten valt en dat als ik wil naar boven wil, dat ook gebeurt.  Al mijn onderwater autoriteit haal ik uit de kast en ja hoor, gelukkig…
Geërgerd geeft hij het teken, dat iedereen naar boven moet. Eenmaal met het hoofd boven water deel ik mee ik dat het wat Anna en mij betreft einde oefening is en dat de duiksport het voortaan maar zonder ons moet stellen.  De instructeur explodeert. Nog nooit is iemand zo tegen me tekeer gegaan en ditmaal versta ik hem wél. Ik hoor dat ik niet mag stoppen, dat ik over mijn grenzen moet gaan. “En toch kappen we ermee”. Nog zwaarder geschut: “Herty, dit is nog niets, ge zijt hier toch niet bang voor, dit heb ik al driehonderd keer gedaan en nog nooit meegemaakt, ge verpest het allemaal!”.
“Oké, ik ben een watje en een loser en we zwemmen terug naar de kant. Kom, An”.
En dat doen we, een boze, tierende instructeur achterlatend.

Als we ver genoeg uit het zicht zijn steken Anna en ik opgelucht onze duimen naar elkaar op. Anna straalt: “Dat je dat durft, dat je zo tegen die kwaaie schreeuwende instructeur in durft te gaan.” “Natuurlijk. Wat hebben we met die man te maken? Hij kan hoog en laag springen, maar als we iets niet willen, dan doen wij Kleinlogen dat niet”. Anna lacht. Even ben ik weer haar held. Te veel eer, besef ik met nog een vaag schuldgevoel,  want juist ik had haar in deze situatie gebracht. En ik had gestunteld, gefaald, een modderfiguur geslagen. Het maakt allemaal niet meer uit. Het avontuur is over, we hebben samen weer iets beleefd.

 We zwemmen een tijdje hand in hand snorkelend terug naar de kust. We wijzen bewonderend naar de vissen en het koraal.
Dan komen we even boven water. Ik haal mijn snorkel uit mijn mond.
“Weet je, Ik voel me helemaal geen watje, ook geen loser.”
“Dat ben je ook niet.”
 “Soms is het dapper om toe te geven dat je bang bent”.
Anna knikt.  “Zo is dat. En ik ga nooit meer duiken, als je dat maar weet.’
“Nooit meer duiken, schat. Nooit meer.”